Log in
inloggen bij Renda
Hulp bij wachtwoord
Geen account?
shop word lid
Home / Artikelen

Van project naar programma

Ad Straub, Frits Meijer - 23 februari 2022

Steeds meer woningcorporaties werken project-overstijgend samen met marktpartijen bij de verduurzaming van hun woningen. Onderzoek van de Tu Delft laat zien dat deze samenwerking voor de corporaties, hun bewoners en de ketenpartners voordelig is. Het samenwerken stelt wel forse eisen aan de organisatie, het beleid en de taken en rollen van corporaties en partners. Dit artikel geeft een beeld van de algemene ervaringen bij "koplopers". Om te illustreren dat er geen blauwdruk is voor project-overstijgend samenwerken, belichten we twee voorbeelden uitgebreider: de Alliantie en ZOwonen.

Het onderzoek is uitgevoerd als project van het consortium Integrale Energietransitie Bestaande Bouw (IEBB) met ondersteuning vanuit de MMIP 3&4 regeling van het Ministerie van Economische Zaken & Klimaat en het Ministerie van Binnenlandse Zaken & Koninkrijksrelaties.

Project-overstijgend samenwerken bij verduurzaming, of een programma-aanpak, met vaste partners kan een corporatie veel opleveren. Het leidt niet persé tot forse verlagingen van de investeringskosten, maar wel tot een effectiever en efficiënter voorbereidings- en uitvoeringsproces. Sleutelwoorden voor een succesvolle project-overstijgende samenwerking zijn: openheid, transparantie, vertrouwen, vernieuwen en innoveren. Het werken met vaste teams draagt bij aan het vergroten van de effectiviteit en efficiëntie, door continuïteit en stabiele werkstromen. Dit leidt tot voorspelbare en betrouwbare planningen en begrotingen, kortere doorlooptijden in de uitvoering, betere kwaliteit van het werk en (vooral) een versnelling van de verduurzaming van de voorraad met meer tevreden bewoners. Dit zijn de belangrijkste bevindingen van een onderzoek dat de TU Delft heeft verricht binnen het programma Integrale Energietransitie Bestaande Bouw.

Project-overstijgend samenwerken kan je niet een beetje doen

Het onderzoek

Op basis van een eerste inventarisatie is een lijst opgesteld met corporaties die samen met ketenpartners hun woningen project-overstijgend verduurzamen. Er zijn zeven woningcorporaties geselecteerd. Het doel is vooral een beeld schetsen van de stand van zaken, de achtergronden, de inhoud en de resultaten van de project-overstijgende verduurzamingsaanpak. Op deze manier kunnen corporaties hun kennis en ervaring van delen.

Eerst is schriftelijke, openbare informatie verzameld over de aanpak bij deze corporaties. Verdere verdieping heeft plaatsgevonden via interviews met vertegenwoordigers van de corporaties en partners. Vervolgens zijn in een bijeenkomst met alle geïnterviewden de overkoepelende resultaten gepresenteerd en de ervaringen onderling uitgewisseld en gediscussieerd over (het belang en de toekomst van) project-overstijgend verduurzamen.

“Project-overstijgend samenwerken kan je niet een beetje doen”, aldus een van de geïnterviewden. De keuze voor om op deze manier samen te werken heeft (ingrijpende) gevolgen voor de corporaties en bedrijven, hun beleid en werkwijzen.

Waarom anders?

Allereerst moet er binnen de corporatie de wens leven dat een andere aanpak dan de traditionele zinvol is. Leidend daarbij is de vraag: “Wat doen we nog zelf en wat laten we over aan de onderhoudspartijen en -partners?” De directe redenen bij alle cases om project-overstijgend te gaan samenwerken is te vangen in de zin: “Het stroomlijnen en versnellen van het verduurzamingsproces, tegen een hogere (energetische) kwaliteit, een hoger comfortniveau en lagere woonlasten.” Belangrijke succesfactoren daarbij zijn dat er gewerkt wordt met kleine, vaste teams met een heldere rol, taak en verantwoordelijkheidsverdelingen. Dit vergroot het vertrouwen en de betrokkenheid bij elkaar. Men heeft veel beter inzicht in en waardering voor elkaars werk- en besluitvormingsprocessen. Dit versnelt niet alleen het proces, maar vergroot ook het werkplezier.

De organisatie moet er klaar voor zijn

Project-overstijgend samenwerken heeft weinig kans van slagen als de interne zaken qua beleid en organisatie niet op orde zijn. Er is een cultuur en -gedragsverandering nodig. Er moet bereidheid zijn om taken te veranderen en te vernieuwen en samen te werken met partners buiten de eigen organisatie. Dat vraagt nogal wat en vereist tijd en aanpassingen. De voorbeelden laten zien dat de transformatie naar een nieuwe invulling van de ‘rollen’ en intensievere samenwerking soms erg wennen is. Ook zijn er nieuwe overlegvormen opgezet. Het is essentieel dat in het proces van voorbereiding tot aan oplevering van het project-overstijgend samenwerken er goede overleg- en besluitvormingsstructuren zijn.

….en het beleid ook

Niet alleen in organisatorische zin (qua cultuur, competenties en vaardigheden), maar ook in het vastgoedbeleid zijn er aanpassingen nodig. In plaats van jaarlijkse planningen en begrotingen, is het van belang te streven naar een samenhangend vastgoedbeheer met een integraal karakter. Het portefeuillebeleid en assetmanagement moet aansluiten op het meerjarige en programmatische verbeterprogramma (inclusief planning en –begroting) dat in samenwerking wordt uitgevoerd. Het uiteindelijke doel is dat de partners samen de verantwoordelijkheden en kennis delen bij het zoeken en vinden van oplossingen en het optimaliseren van de scenario’s. Het programmatisch combineren van planmatig onderhoud (gevel en dak) en de groot onderhoud- en verduurzamingsstromen lijkt qua opgave, scenario’s, aanpak, planning en investerings- en exploitatiekosten (TCO’s), voor de toekomst een realistische ontwikkeling te zijn. Enkele van de onderzochte corporaties hebben al stappen in deze richting gezet.

Selecteren van partners

De corporaties hebben hun uitvraag functioneel geformuleerd en de selectie van hun partners op een nieuwe leest geschoeid. Men gaat niet meer op zoek naar de goedkoopste aanpak, maar naar “de beste partners om de beste plannen mee te maken.” De cases laten zien dat dit proces door de corporaties uitgebreid en zorgvuldig is ingevuld, waarbij met name ook gekeken wordt naar de cultuur en visie van de beoogde partners. De bedrijven moeten bijvoorbeeld eerst een document opleveren, waarbij ze – naast de concreet voorgestelde aanpak - ook moeten aangeven hoe zij gaan voldoen aan ’zachtere’ criteria als ‘meedenken’, ‘rol in bewonerscommunicatie’ en ‘openstaan voor veranderingen’. Deze criteria wegen vaak bijna net zo zwaar mee bij de selectie. In een enkel geval hebben medewerkers van de corporatie ook de bedrijven bezocht om te kijken hoe ze intern te werken gaan en om de bedrijfscultuur te ‘proeven’.

Niet meer op zoek naar de goedkoopste aanpak maar naar de beste partners om de beste plannen mee te maken

Voorbereiding en uitvoering van de verduurzaming

Wat de concrete aanpak betreft, zijn in vrijwel alle gevallen de bedrijven in het voorbereidingsproces naar voren geschoven. Het uitgangspunt is dat de partners op basis van hun specifieke kennis en expertise met aanpakscenario’s of variantenstudies komen voor de complexen, vaak met een looptijd van 30 jaar er met een TCO-berekening. De partners brengen vervolgens samen de risico’s in beeld. Op basis van de vraag “Wat is het beste haalbare plan van aanpak voor dit complex?”, bepaalt de corporatie uiteindelijk voor welke aanpak wordt gekozen. Een aanpak die het beste past binnen de eigen beleidsmatige en budgettaire randvoorwaarden. Dit is het ideaalbeeld. In sommige cases loopt dit proces gestroomlijnd, terwijl in andere gevallen corporaties toch nog iets meer moeten sturen dan vooraf verwacht.

Twee voorbeelden: De Alliantie en ZOwonen

De Alliantie

Het vastgoedbeleid van de Alliantie (ca. 50.000 woningen, actief in verschillende woningmarkten in de Randstad) is al geruime tijd gericht op strategische samenwerking met vaste partners voor meerjarige en integrale onderhoud- en verbeterprocessen. In 2013 werd de strategische beleidskeuze gemaakt voor deze programmatische vastgoedsturing onder de naam Sequent. Het begon met E-Sequent (energetische verbetering), later gevolgd door samenwerkingsconstructies voor het gevel-, mutatie en reparatieonderhoud en funderingsherstel. Sinds 2020 is de programmatische aanpak gecontinueerd onder de naam Sequent NXT, waarbij de modulaire aanpak centraal staat: “Duurzaam onderhouden en verbeteren op natuurlijke momenten met als doel een volledig CO2-neutrale woningvoorraad in 2050.” Daarbij moeten de woningen veilig, gezond en comfortabel zijn en moet de huurder meer regie hebben bij de keuze voor woonproducten en –diensten. De Alliantie heeft daarnaast een reeks van concrete doelen (KPI’s) geformuleerd, die onder meer betrekking hebben op directe investeringskosten en TCO, uitvoeringskwaliteit, team en bewonerstevredenheid, datasturing en proces- en productinnovaties.

In het kader van de programmatische vastgoedsturing heeft de Alliantie structurele organisatorische veranderingen doorgevoerd: met onder andere de introductie van een commitment team, programmamanager, programmaregisseurs vastgoedonderhoud, regionale programmateams, specialistenteams en contractmanagers. Ook de ketenpartners hebben geïnvesteerd in cultuur- en organisatorische veranderingen. Hierbij zijn ze niet alleen aan de slag gegaan met het stroomlijnen van de werkprocessen, maar ook het verbeteren van de klantgerichtheid en de communicatie met bewoners.

Bij de selectie van de partners is gezocht naar minder partners die meer ‘specialist’ moeten zijn en in staat zijn om hun kennis over de eigen discipline af te stemmen met de kennis van de anderen om zo tot integrale programma’s te kunnen komen: “Kennis verbinden staat centraal.” De selectie vond corporatie breed plaats, waarbij een scala aan criteria werd gebruikt zoals vakbekwaamheid, de manier van aanpakken, bereidheid tot samenwerken en kennisdelen met andere specialisten, openstaan voor veranderingen, overleg met en de rol van de bewoner in het proces. Inmiddels werkt de corporatie met 12 vaste partners samen.

 

Bij het bepalen van de aanpak spelen de multidisciplinaire programmateams een centrale rol. Op basis van de complexstrategie vanuit het assetmanagement maken zij per complex verschillende scenario’s voor de komende 30 jaar op met een TCO-berekening. Elk complex krijgt wat dat betreft een andere ‘onderlegger’. De partners brengen samen de risico’s in beeld. “Wat is het beste voor dit complex?” De assetmanager bepaalt uiteindelijk voor welk scenario gekozen wordt. Voor het ophalen van draagvlak en instemming van bewoners zijn de partners verantwoordelijk.

“Sequent NXT is niet alleen ontstaan omdat de opgaven en uitdagingen veranderen, maar ook vanuit de wens om de manier van ketensamenwerking te vernieuwen. Voor de modulaire aanpak is gezocht naar minder partners, maar wel meer specialisten. Specialisten die in staat moeten zijn om hun kennis over de eigen discipline af te stemmen met de specialistische kennis van de anderen om zo tot integrale programma’s te kunnen komen. Het ‘kennis verbinden’ staat centraal”, aldus De Alliantie.

ZOwonen

Bij ZOwonen (ca. 14.500 woningen; actief in een aantal gemeenten in Zuid-Limburg), kwam ook zo’n tien jaar geleden de vraag: “Wat doen we nog zelf en wat laten we over aan partijen die dat vaker en beter doen?” Voorwaarde daarvoor was dat de eigen organisatie klaar moest zijn. “Niet alleen in organisatorische zin (qua cultuur, competenties en vaardigheden) maar ook wat betreft het bepalen van de gewenste portefeuilleontwikkeling.” Vooruitlopend op de samenwerking werd de interne organisatie uitgebreid voorbereid. Naast de instelling van een stuurgroep en diverse projectgroepen zijn er verder geen specifieke organisatorische veranderingen doorgevoerd. Wel werd er constante aandacht besteed en actief gewerkt aan de noodzakelijke cultuur en -gedragsverandering. Uiteindelijk ging men in 2016 op zoek naar ketenpartners om bij te dragen aan de vastgoedopgave voor de komende tien jaar met focus op duurzame renovatie. Ook hier volgde er een intensieve zoektocht “naar de beste partners om de beste plannen mee te maken.” Naast technische kennis en vaardigheden, moesten de partners bereid zijn tot organisatorische veranderingen, open staan voor een andere manier van werken, zich kwetsbaar durven opstellen en beseffen dat zo’n samenwerkingsproces tijd vergt.

Naast het overkoepelende doel om de voorbereiding en uitvoering van projecten sneller, beter en kosten efficiënter te laten verlopen, zijn de door ZOwonen opgestelde KPI’s qua thema vergelijkbaar met die van De Alliantie en de andere onderzochte corporaties. Het financiële rendement, de kwaliteit en de bewonerstevredenheid moet worden verhoogd en er moet in het proces voldoende ruimte zijn voor verbeteren en innoveren.

Vanaf de start van een project wordt op basis van de specifieke kennis en expertise van de partners gekozen wat het best haalbare plan is binnen de vastgestelde scenario’s. Communicatie met de huurders doen de partners samen. De vorm is afhankelijk van het precieze project, maar persoonlijk langs de deur bewoners informeren met een boekje is het meest gebruikelijk. De bedrijven stemmen de communicatiemiddelen en -methodes onderling af om ze eenduidig bij alle projecten te kunnen gebruiken.

“De ketensamenwerking heeft (los van de productie) veel kennis en meer betrokkenheid en verantwoordelijkheid opgeleverd. De constante monitoring en gegevensverzameling levert waardevolle inzichten op”, aldus ZOwonen.

Wat doen we nog zelf en wat laten we over aan partijen die dat vaker en beter doen?

Worden de doelen gehaald?

Het project-overstijgend samenwerken richt zich vooral het isoleren van de schil, soms aangevuld met het vervangen van de installaties. De nadruk ligt op een stapsgewijze aanpak en het nemen van ‘no-regret’ maatregelen. We zien dit ook bij niet verder onderzochte programma-aanpakken in verduurzaming. Ander onderzoek komt tot dezelfde conclusie. Woningcorporaties moeten nog stappen maken naar een energietransitie: de woningen aanpassen op een ander aanbod van energie of warmte. Opvallend is dat de corporaties weinig sturen op de inzet van gestandaardiseerde producten en de ontwikkeling van productinnovaties. De ketenpartners werken wel veel onderling samen, met name gericht op periodieke uitwisseling van kennis, afstemming van processen en procesinnovaties.

Bij een deel van de cases zijn er nog weinig ‘harde’ resultaten bekend, omdat de samenwerking recent gestart is en de programma’s nog niet zijn geëvalueerd. Bij andere samenwerkingsconstructies zijn de resultaten veelbelovend. Binnen relatief korte termijn is een fors aantal woningen verduurzaamd (vaak naar label A), waardoor ze veel energiezuiniger en comfortabeler zijn geworden. Er zijn duidelijke aanwijzingen voor een stevige reductie van de stichtingskosten (variërend van 10% tot 15%, oplopend tot bijna een kwart besparing). Dit geldt ook voor de exploitatiekosten: doordat het cyclische onderhoud van complexen kan worden uitgesteld, levert dit al gauw een besparing tussen de 15% en 20% op. En de kosten voor de corporatie zijn fors lager geworden. Er is veel minder menskracht nodig voor de voorbereiding en uitvoering van de projecten. Het bewonersdraagvlak voor de verduurzaming is groot. De gemiddelde klanttevredenheid over de aanpakken is hoog.

Andere (minder concreet meetbare) resultaten die worden genoemd zijn dat de voorspelbaarheid, transparantie en betrouwbaarheid van het onderhoud- en verbeterproces veel groter geworden is. Ook is de onderlinge communicatie tussen de partners geoptimaliseerd, waardoor men veel meer oog heeft gekregen voor elkaars belangen en hoe daarmee kan worden omgegaan. Een inzicht dat essentieel is voor een goede samenwerking.

Tot slot

Een project-overstijgende samenwerking met partners kan een corporatie veel opleveren. Het leidt niet persé tot forse verlaging van investeringskosten, maar wel tot een effectiever en efficiënter voorbereidings- en uitvoeringsproces. Met als gevolg: voorspelbare en betrouwbare planningen, begrotingen, uitvoeringsstromen en doorlooptijden, een duurzame woningvoorraad en een hogere bewonerstevredenheid. Steeds meer corporaties willen hun verduurzamingsopgave op deze manier aanpakken. Er is sprake van een voorzichtige trend, maar lang niet alle corporaties zijn zover. Bij project-overstijgende samenwerkingsverbanden gaat het nog om een beperkt aantal (vrij grote) corporaties en een min of meer vaste ‘pool’ van bedrijven dat zich opwerpt als ketenpartner en voldoet aan de selectie-eisen van corporaties. Er is behoefte aan meer bedrijven die, samen met hun ketens van gespecialiseerde bedrijven en toeleveranciers, als strategisch partner van corporaties kunnen optreden. Hier ligt mogelijk een taak voor de brancheorganisaties. In de project-overstijgende samenwerkingsvoorbeelden ligt het accent op procesinnovaties. Deze procesinnovaties leiden tot versnelling en in beperkte mate tot kostenreductie (transactiekosten). Er wordt weinig direct gestuurd op productinnovaties, de betrokken bedrijven wisselen wel veel kennis uit en passen wel in beperkte mate innovaties toe. Van een aanpak met (deel)concepten voor bouwdelen is (nog) geen sprake. De vraag is waarom de toepassing van productinnovaties niet of nauwelijks van de grond komt, terwijl de voedingsbodem ideaal lijkt? Er is vertrouwen gegroeid, er is sprake van continuïteit in vaak meerjarige samenwerking. Samenwerking tussen vragers en aanbieders, maar ook tussen vragers onderling en aanbieders onderling.

voetnoot
In het eindrapport worden de cases uitgebreid beschreven. De rapportage van het onderzoek is beschikbaar op de website van het IEBB-consortium - BTIC.

Reacties

x Met het invullen van dit formulier geef je Renda en relaties toestemming om je informatie toe te sturen over producten, dienstverlening en gerelateerde zaken. Akkoord
Renda ©2022. All rights reserved.

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie AccepterenWeigeren