Log in
inloggen bij Renda
Hulp bij wachtwoord
Geen account?
shop word lid
Home / Artikelen

De belofte van 1.000 verbeterde woningen per dag

Haico van Nunen - 6 januari 2026

Niet de omvang breekt ons op, maar het tempo waarmee we 'morgen' proberen in te halen. In mijn artikelen heb ik al vaker verwezen naar het beoogde tempo van 1.000 verbeterde woningen per dag. Ook tijdens colleges en lezingen proberen we telkens te duiden hoe groot deze renovatieopgave werkelijk is. Willen we in 2050 alle woningen verduurzaamd hebben naar het juiste niveau dan moeten we vanaf vandaag elke dag 1.000 woningen renoveren. We realiseren nu zo'n 1.000 woningen per jaar; nodig is 1.000 per dag - een versnelling van circa 365× met dezelfde mensen en middelen.

Dit artikel gaat dan ook niet zozeer over die omvang, het gaat vooral over het tempo waarin we dat moeten doen. De klimaat- en energieverkenning laat zien dat we voor 2030 de vereiste 55% reductie niet gaan halen en dat we blijven steken op 45-53%, al noemt de minister dat de doelen ‘binnen bereik liggen’. De praktijk laat echter zien dat er al veel tijd en geld gestoken is in verandering, maar dat die gewenste aanpassingen toch niet zo maakbaar zijn gebleken. De meeste quick wins zijn inmiddels verzilverd - vaak met royale subsidie. Nu begint fase twee: doorpakken. Dat betekent de behaalde duurzame resultaten opschalen, maar dan zonder subsidie en met dezelfde hoeveelheid mensen. Dat kán, maar het is geen vaststaand gegeven.

Proeftuinen

De 66 proeftuinen aardgasvrije wijken illustreren dat spanningsveld (2018-2022). Uit monitoring (2024) blijkt dat sinds de start er 6.757 woningen daadwerkelijk van het gas zijn gehaald - gemiddeld zo’n duizend per jaar - terwijl de systeemopgave duizend per dag vraagt. Natuurlijk is de vergelijking niet helemaal fair: proeftuinen zijn bedoeld om te experimenteren, te leren en oplossingen te ontwikkelen die later herhaalbaar zijn. Toch is er 270 miljoen euro gereserveerd voor daadwerkelijke uitvoering van het ontkoppelen van aardgas in een meterkast, maar lopen de wachttijden op. De wijken uit de eerste tranche verwachten afronding rond 2025, de tweede tranche mikt op 2028 en de derde kijkt naar 2030 of zelfs 2040. De oplopende doorlooptijd is geen incident, maar een indicatie dat een hele buurt meenemen in de verduurzaming structureel tijd kost.

Tussen ambitie en uitvoering

De monitoring laat zien waarom de voortgang stokt. Proeftuinen moesten toonbeelden worden voor opschaling, maar als de voorbeelden zelf nog niet werken, wat zegt dat dan over onze kansen om écht op te schalen?
Uit de monitor blijkt dat de proeftuinen aardgasvrij nog niet het gewenste succes boeken door een samenloop van factoren. Er zijn zorgen over de groeiende druk op de betaalbaarheid van het wonen, terwijl tegelijkertijd behoefte bestaat aan een concrete en gedeelde definitie van wat ‘betaalbaar’ precies betekent. Veel gemeenten en partners worstelen bovendien met de complexiteit van de energiestromen, waardoor keuzes en fasering lastig zijn. Komt er nu wel of geen warmtenet, en wat betekent dat voor het aanpassen van woningen? Veel aardgasvrije wijken richten zich vooral zich op de ontwikkeling van warmtenetten, maar deze trajecten duren lang en de resultaten daarvan zijn beperkt, met als gevolg dat mensen alsnog kiezen voor een individuele oplossing.
De onzekerheid over wet- en regelgeving werkt vertragend, en proeftuingemeenten ervaren capaciteitsproblemen die uitvoering (externe capaciteit) en coördinatie (interne capaciteit) bemoeilijken. Dat alles vraagt om transparante, tijdige communicatie en een goede samenwerking met partners, ondersteund door actieve kennisdeling en deskundige ondersteuning. Ten slotte spelen ook beleidssignalen (en de interpretatie daarvan) een rol in het tempo en de richting van besluitvorming. Juist in de aardgasvrije wijken zijn de maatregelen gericht op een hogere ambitie, en gaan ze verder dan het laaghangend fruit. Het gaat om structurele verduurzaming van woningen, dusdanig dat ze van het aardgas af kunnen. Daar is zekerheid en vertrouwen een belangrijk aspect voor de eigenaren.

Doorlooptijd in perspectief

We moeten altijd uitgaan van een realistische doorlooptijd: een buurt verbeter je niet in één keer. Zelfs wanneer één eigenaar (bijvoorbeeld een corporatie) het merendeel van de woningen bezit, is fasering onvermijdelijk om het proces beheersbaar te houden en de beschikbare capaciteit te spreiden. In 1980 renoveerden we voor het eerst een hele buurt samen met corporatie en bewoners. Dat proces duurde 20 jaar: ongeveer 10 jaar om de vraag op te halen en planrijp te maken, en nog eens 10 jaar voor de uitvoering van woningen met uiteenlopende kwaliteiten. Nu, anno 2025, brengen we de vraag in 1–2 jaar tot realisatie, maar hebben corporaties en meerjarige uitvoeringspartners nog 6–8 jaar nodig voor de daadwerkelijke uitvoering. Dat is grofweg de helft van de doorlooptijd van 45 jaar geleden. Een forse verbetering, maar nog altijd onvoldoende als we de opgave van 1.000 woningen per dag serieus nemen.
Laat staan in buurten met honderden particuliere woningen; het is dan een illusie dat iedereen tegelijk meedoet. Voor buurten met vooral particuliere woningeigenaren is een doorlooptijd van 10 tot 15 jaar of zelfs nog langer een reële en verstandige aanname.

Continuïteit

Dat betekent ook dat er gedurende een langere periode activiteit in de buurt is, en die moet worden ondersteund, bijvoorbeeld door de gemeente. Het is niet genoeg om alleen in het begin aanwezig te zijn; bewoners hebben doorlopend behoefte aan informatie, begeleiding en waar mogelijk subsidie, een vlotte vergunningverlening of andere vorm van ondersteuning. Dit vraagt om structurele capaciteit van de gemeente en andere betrokken partijen, en wel voor langere tijd. In één buurt is dat nog te organiseren (en meestal niet fulltime), maar als een gemeente de klimaatdoelstellingen wil halen, moet in meerdere buurten tegelijk aan de slag worden gegaan. Dan wordt capaciteit al snel een knelpunt, iets wat de monitoring van de proefwijken nu al laat zien.

Een buurt verbeter je niet in één keer

De gemeente als schakel in het tempo

De zoektocht naar de juiste rol van de gemeente speelt hierbij nadrukkelijk. Wat hoort onmiskenbaar tot de publieke taak en waar begint de markt? Wij zien beide uitersten: kleine gemeenten met een minimale formatie die slechts beperkt tijd heeft, en grote gemeenten met complete afdelingen die vooral plannen en beleid maken. Geld is er vaak wel, via landelijke regelingen rond energiearmoede, SPUK of NIP, maar de vertaling naar concrete uitvoering blijkt lastig. Een regionale aanpak kan uitkomst bieden.

Maatschappelijke (energie) diensten organisatie

In een eerder onderzoek, samen met Klimaatverbond Nederland is een entiteit naar voren gekomen die hier mogelijk in kan helpen. Juist om te voorkomen dat iedere gemeente een eigen apparaat in gaat richten voor uitvoering van klimaatoplossingen kun je er ook voor kiezen om dit regionaal op te lossen. We hebben dit een Maatschappelijke Energie Diensten Organisatie genoemd, omdat de organisatie een maatschappelijk doel dient; het faciliteren van de energietransitie. Het vertoont echter grote gelijkenis met een Esco, waar veelal een commercieel motief achter schuil gaat.
Een dergelijke regionale organisatie werkt voor een diversiteit aan gemeenten en partijen. In de regio Utrecht heb je bijvoorbeeld het Energie Diensten Centrum, waar provincie en 25 gemeenten samen in optrekken. Door gezamenlijk op te trekken hoeven regelingen maar één keer op papier gezet te worden en kunnen medewerkers aanvragen uit de hele regio verwerken. Dit zorgt voor een efficiëntie slag in de uitvoering, zodat het geld effectief aan de maatregelen besteed kan worden.

Grip op schaarse capaciteit

Dit artikel zoomt in op het tempo. Een centraal dilemma, zichtbaar in de NPLW-wijken én breed herkenbaar in de markt, is het gebrek aan uitvoeringscapaciteit. Woningcorporaties hebben via ketensamenwerking en RGS-afspraken een groot deel van de uitvoeringsmarkt gebonden. Dat is logisch: professionele opdrachtgevers, duidelijke scopes, projecten met schaal. Voor particuliere woningeigenaren wordt het echter steeds lastiger om een aannemer te vinden, terwijl juist daar de bulk van de opgave naartoe verschuift. Met 2,4 miljoen sociale huurwoningen komt onvermijdelijk het moment dat corporatieprojecten opdrogen, terwijl er dan nog ruim vijf miljoen particuliere woningen resteren. Voor die markt is een andere manier van organiseren nodig. Wie bewoonde woningen renoveert, ziet dat de ‘natuurlijke’ momenten van eigenaren en bewoners méér vergen dan een energiemaatregel alleen.
Wij zien perspectief in uitvoeringsteams die langdurig aan één buurt verbonden zijn: lokaal, vertrouwd en zichtbaar. Dat kan een aannemer zijn met een compacte allround ploeg, maar liever een BuurtKlusBedrijf: een sociale en maatschappelijke partner die door bewoners wordt herkend als “van de buurt”. Zo’n team biedt ruimte aan de broodnodige vakmensen om samen de aantallen te halen, en fungeert als vast aanspreekpunt, met vooraf heldere prestatieafspraken. Zonder deze stevige infrastructuur blijft opschalen lastig, zeker als we dit niet met extra subsidie willen compenseren. Willen we richting 2050 groeien, dan hebben we juist deze wijkgebonden teams nodig die met mensen die wíllen, stap voor stap tempo maken.

Als de voorbeelden zelf nog niet werken, wat zegt dat dan over onze kansen om écht op te schalen?

Tempo van 1000 woningen

Versnellen naar 1.000 woningen per dag vraagt geen wondermaatregel maar regie op samenhang. Gemeenten krijgen vaart met heldere rolduiding, regionale uitvoeringskracht en ontzorging, juist bij een opgave buiten hun corebusiness. Bewoners hebben doorlopende begeleiding en keuzepaden nodig die verder gaan dan quick wins: structurele kwaliteit, comfort en gezondheid, tegen een heldere betaalbaarheidsmaatstaf richting 2050. Een goed, helder en passend aanbod. De markt vraagt om continuïteit: langjarige, wijk gebonden opdrachten en gebundelde particuliere vraag, zodat er geïnvesteerd kan worden in mensen, materieel en standaardisatie. Organiseren we dit tegelijk, dan ontstaat het ontbrekende tempo, niet morgen en in één keer, maar wel stevig genoeg om binnen afzienbare tijd in de buurt te komen van wat nodig is.

Reacties

Jan van Leeuwen - Stichting Dakmeester 05 februari 2026 15:11

Een mooi artikel met een positieve insteek op de toekomstige mogelijkheden richting 2050. Met een conceptuele aanpak die in ketensamenwerking wordt ontwikkeld en uitgevoerd zouden we inderdaad veel meer kunnen verduurzamen dan we nu doen. De regelgeving werkt de laatste jaren als zand in de tandwielen die de voortgang moeten realiseren om ambities waar te maken. Wat we nodig hebben is een overheid die stuurt op continuïteit voor lange termijn zodat de betrokken opdrachtgevers en opdrachtnemers kunnen investeren en organiseren op een lange goed gevulde pijplijn van opdrachten. Dit lijkt utopisch maar bij Rijkswaterstaat lijkt dit toch aardig te werken, en daar liggen ook zware opgaves om veel achterstallig onderhoud gestructureerd op te pakken met aannemers die bewezen betrouwbaar zijn. Verder zie ik nog een grote uitdaging om voldoende praktijk opgeleide mensen op de bouwplaats te krijgen om serieus te versnellen, dus daar ligt een uitdaging voor de bouwsector om werken op een bouwplaats weer aantrekkelijk te maken. Al met al veel mooie uitdagingen om met elkaar op te pakken. Groet Jan van Leeuwen, Vz. Stichting Dakmeester

PAW-Eindhoven. Foto Kick Smeets
x Met het invullen van dit formulier geef je Renda en relaties toestemming om je informatie toe te sturen over producten, dienstverlening en gerelateerde zaken. Akkoord
Renda ©2026. All rights reserved.

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie AccepterenWeigeren