Log in
inloggen bij Renda
Hulp bij wachtwoord
Geen account?
shop word lid
Home / Artikelen

Levenscyclusdenken

Interne dialoog bij corporaties - 22 november 2021

Wat gebeurt er als je een controller, asset manager, projectleider duurzaamheid en een directeur van een woningcorporatie voor het eerst met elkaar in gesprek laat gaan over levenscyclusdenken? Dit artikel geeft een overzicht van de barrières, versnellers en actieplannen die zij gezamenlijk identificeren.

Woningcorporaties zijn cruciaal in het toewerken naar een volledig circulaire economie in 2050. Daarbij wordt de gehele levenscyclus van woningen op milieu, bewoners en productieketen in ogenschouw genomen. Dit noemen we levenscyclusdenken. Hiervoor is een transdisciplinaire benadering nodig, waarbij concepten uit meerdere perspectieven worden gecombineerd tijdens het bouwen of renoveren, zoals:

  • Bedrijfsmatig: ketensamenwerking;
  • Financieel: Total Cost of Ownership (TCO);
  • Technisch: droog en modulair bouwen.

Woningcorporaties experimenteren volop met levenscyclusdenken. Toch komen initiatieven vaak nog niet uit de pilotfase. Marieke Venselaar’s (2017) promotieonderzoek toonde aan dat dit misschien komt doordat levenscyclusdenken binnen de corporatie nog te weinig integraal wordt opgepakt. Daardoor worden bedrijfsmatige, technische en financiële concepten, zoals ketensamenwerking, circulair renoveren en TCO, niet praktisch op elkaar afgestemd.

Om te zien welk gesprek over levenscyclusdenken ontstaat wanneer je mensen binnen één corporatie uit verschillende disciplines samenbrengt en welke barrières en versnellers zij belangrijk vinden, hebben wij in een kleinschalig subsidieproject (januari- oktober 2021) de interne dialoog ontsloten bij drie corporaties: Bo-Ex, Rochdale en Wonion. Dit artikel bevat de overkoepelende resultaten daarvan.

Methode

Om dit integrale gesprek te kunnen ontsluiten, zijn eerst 17 individuele (online) interviews afgenomen. Per corporatie werd minstens één directielid, asset manager, financial controller en projectleider duurzaamheid/circulariteit geïnterviewd. Zij konden, niet gehinderd door aanwezigheid van anderen, barrières en versnellers noemen voor het levenscyclusdenken en aangeven wat ze hierin zelf konden en wilden betekenen.

Vervolgens werd de eigenlijke gesprekstool ontwikkeld. De inhoud varieerde per woningcorporatie, maar de vorm was hetzelfde: een kaartenset, bestaande uit gemiddeld 30 kaarten met daarop de meest genoemde barrières en versnellers, verdeeld in zes categorieën: organisatorisch, sociaal-cultureel, branche, financieel, regulatief en overig (zoals ‘bewoners’). Kaartensets zijn erg geschikt om onderzoeksresultaten op een toegankelijke en begrijpelijke manier te weergeven.

Vervolgens zijn met behulp van deze kaartensets in juni en september bij Bo-Ex, Rochdale en Wonion online groepsdialogen gevoerd. Deelnemers werd gevraagd om kaarten met barrières en versnellers te prioriteren. Vervolgens kon iedereen aangeven wat zij zowel individueel als gezamenlijk op korte termijn wilden gaan doen rondom levenscyclusdenken.

De meest genoemde barrières en versnellers zijn gebundeld in een generieke kaartenset (zie afbeelding). Deze is in juli gevalideerd met en door experts, afkomstig uit zowel onderzoek als praktijk.

Hoeveel iedereen ook zijn best doet, levenscyclusdenken lukt alleen als het financiële aspect in orde is.

Resultaten

De drie corporaties verschilden in mate van doorvoeren van levenscyclusdenken. Zo had Bo-ex recentelijk twee succesvolle pilots afgerond en had Rochdale voor het eerst een projectleider circulariteit aangesteld, naast de reeds aanwezige strategisch adviseur duurzaamheid. Wonion heeft levenscyclusdenken al wat structureler doorgevoerd en volgt bijvoorbeeld samen met haar vaste ketenpartners The Natural Step om een gedeelde visie te ontwikkelen over levenscyclusdenken. 

Ondanks deze verschillen in maturiteit, was het bij alle corporaties voor het eerst dat medewerkers uit verschillende disciplines in gesprek gingen over dit thema. Iedereen ervoer het als positief: “Goh, wat goed dat er ook een controller aan tafel zit, dit zouden we standaard moeten doen.” Ook kwam de inhoud van de individuele interviews en de drie groepsdialogen grotendeels overeen. De branche werd vooral als kansrijk geïdentificeerd om levenscyclusdenken te versnellen, terwijl het vanuit de financiële en sociaal-culturele hoek vooral wordt tegengehouden.

Branche
De branche werd als belangrijk geïdentificeerd, omdat “de hele keten van aannemers tot leveranciers en woningcorporaties en alles daar tussenin moet meebewegen richting levenscyclusdenken om schaalgrootte te bereiken.” De geïnterviewden vonden dat een corporatie hier ook keuzes in moet durven maken: “Vraag aan leveranciers waar hun te gebruiken materialen vandaan komen. En durf daarop te selecteren.”

Financiën
Over financiën waren deelnemers expliciet. Zo zeiden ze: “Hoeveel iedereen ook zijn best doet, levenscyclusdenken slaagt alleen als het financiële aspect in orde is.” Dit is nu nog niet zo, omdat het ontbreekt aan rekenmodellen en kengetallen en er ook geen financiële bewijslast is “waaruit blijkt dat je ook in financiële zin goed bezig bent als corporatie en niet alleen maar risico’s neemt door circulair te bouwen.” Bovenop rekenmodellen benoemden ze ook kleinere versnellers, zoals het makkelijker toepasbaar maken van de energieprestatievergoeding, die momenteel nog veel administratieve rompslomp vereist.

Sociaal-cultureel
Op dit vlak werd als allerbelangrijkste versneller genoemd dat de hele corporatie, dus elke individuele medewerker van onderhoudsman tot aan directeur, levenscyclusdenken moet “ademen”. “Levenscyclusdenken zou in het DNA van medewerkers moeten zitten, zodat bijvoorbeeld circulair vanzelfsprekend is en je niet automatisch naar nieuwe materialen kijkt.” Intrinsieke motivatie werd als cruciaal bestempeld en hoewel die vaak al van nature aanwezig is bij iemand, kun je deze volgens de respondenten ook laten groeien, door scholing, personeelsbeleid, circulariteitsambassadeurs, bewustwording, een online projectenkapstok met best practices, etc. Men benoemde ook dat dergelijke ideeën en pilots vaak worden tegengehouden door een hoge werkdruk en “projecten die nu eenmaal op tijd en binnen de begroting af moeten.”

Overig
Overduidelijk was dat corporaties de meeste winst zien in de branche, het sociaal-culturele klimaat en het financiële aspect. Aanvullend werd wetgeving als versneller gezien. “Als er wetgeving komt waardoor je als corporatie levenscyclusdenken wel moet doorvoeren bij bewoners, komt alles in een stroomversnelling!” Ook lokale overheden zouden zich minder moeten bezighouden met het opleggen van eisen. Bewoners werden vaak genoemd, hoewel men niet goed wist hoe met bewoners om te gaan. Corporaties namen hun bewoners in bescherming (“Ze hebben wel iets anders aan hun hoofd.”). Anderzijds zijn ze zich bewust dat bewoners ook mee moeten in de transitie: “We moeten de juiste mindset weten te creëren bij de bewoners, dan krijgen we ze veel makkelijker mee.”

Acties
Nadat we wisten welke factoren de corporaties het belangrijkst vonden, wilden we ook graag weten wat zij nu op korte termijn kunnen en willen gaan doen – zowel als individu maar ook als organisatie. We merkten dat deelnemers enthousiast waren en er werden allerlei acties voorgesteld. Deelnemers namen zich bijvoorbeeld voor “om het TCO op te pakken”, “circulair slopen en bouwen als projectdoelstelling te implementeren”, “meer ruimte te creëren voor pilots” en “vooral de resultaten van de pilots te delen in de organisatie”, “levenscyclusdenken nog centraler te stellen in de bedrijfsmissie” en “bewoners en externe partijen zoals kennisinstituten mee te nemen in de leerervaringen”. 

Experts
Op 9 juli 2021 zijn deze resultaten voorgelegd aan een aantal experts uit het werk- en onderzoeksveld. Zij zien in hun praktijk dat elk gesprek telkens eerst gaat over (gebrek aan) definitie, waardoor de branche niet verder komt. Zo stelt Ellert Jansen (directeur Van Wijk Vastgoedonderhoud) dat “voor de keten een duidelijke, eenduidige vraagspecificatie rondom levenscyclusdenken en circulariteit centraal staat.” De ‘markt’ volgt dan snel met de invulling daarvan. Vervolgonderzoek zou zich volgens de experts vooral moeten richten op dezelfde soort dialoog als de drie corporaties hebben gevoerd, maar dan tussen ketenpartners.

Als er wetgeving komt om dit door te moeten voeren, dan komt alles in een stroomversnelling!

Conclusie

Dit onderzoek leverde een interessante opsomming van barrières en versnellers op. De vorm waarin de dialoog is gevoerd, namelijk de transdisciplinaire dialoog, bleek voor corporaties echter de grootste meerwaarde. Het samen benoemen wat levenscyclusdenken is en wat eenieder daarin kan bijdragen, was een belangrijk leer- en bewustwordingsproces. Ook het in groepsverband bespreken van ieders eigen barrières en versnellers werd als positief ervaren.

Tijdens de dialogen bleek het lastig om niet in abstracte termen te vervallen. Het bleek moeilijker dan gedacht om het gesprek te voeren over de implicaties van deze versnellers en barrières voor de dagelijkse praktijk. De individuele gesprekken hielpen ons als onderzoekers om vanuit ieders eigen discipline te laten spreken en dit samen te brengen in een kaartenset. De gesprekstool bleek een interventie op zich.

Deelnemers maakten opmerkingen als: “We gaan een werkgroep oprichten!” Dat is positief, want blijkbaar wordt urgentie gevoeld. De vraag rijst echter, of circulariteit in een aparte werkgroep uitgewerkt moet worden. Het gevaar daarvan is om het onderwerp levenscyclusdenken los van de organisatie te parkeren en dat daarmee het leereffect voor de organisatie gering is. Daarnaast hebben we de deelnemers na dit onderzoek onvoldoende gevolgd om te toetsen of de voorgestelde acties ook daadwerkelijk zijn doorgevoerd. We vermoeden dat er een continue dialoog met meer regelmatige sessies nodig is om die positief opbouwende energie vast te houden en ook operationele versnellers en barrières in meer detail te bespreken.

Cok Bakker, lector normatieve professionalisering aan de Hogeschool Utrecht, benadrukte tijdens de expertsessie dat het essentieel is om tijdens het gesprek over pilots en innovatie-instrumenten het fundamentele gesprek te blijven voeren over het waarom van levenscyclusdenken. Het ontwikkelen en cultiveren van een overtuiging is een belangrijke vorm van professionalisering, zowel voor het individu als voor de collectieve organisatie.

Ook benadrukken we dat een dergelijke interne transdisciplinaire dialoog voorwaarde is, maar zeker niet het enige middel, levenscyclusdenken structureel in te voeren. Naast de zachte component van het vergroten van leervermogen en bewustwording, is ook wet- en regelgeving nodig. Ook zijn praktische tools en middelen om het levenscyclusdenken in te borgen nodig, zoals rekentools voor TCO.

Geïnteresseerd?

Omdat alle partners, zowel corporaties als onderzoekers als experts, enthousiast zijn over dit thema en de manier waarop het gesprek gevoerd is, wordt mogelijk een vervolgsubsidie aangevraagd. Bent u geïnteresseerd om mee te doen, in welke vorm dan ook, neem dan contact op met fenne.verhoeven@hu.nl. Ook als u interesse heeft in de kaartenset om binnen uw eigen corporatie het gesprek over levenscyclusdenken te ontsluiten, kunt u contact opnemen.

Literatuur

Venselaar, M. (2017). Work Floor Experiences of Supply Chain Partnering in the Dutch Housing Sector: Proefschrift. Te downloaden via: https://journals.open.tudelft.nl/abe/article/view/1878/2291

Auteurs

Fenne Verhoeven1, Bas Bordewijk1, 2, Marieke Venselaar3, Mieke Oostra1, Remko van der Lugt1 en Cok Bakker1

1 Hogeschool Utrecht

2 ING Real Estate Finance

3 Rochdale

Reacties

bekijk ook
x Met het invullen van dit formulier geef je Renda en relaties toestemming om je informatie toe te sturen over producten, dienstverlening en gerelateerde zaken. Akkoord
Renda ©2022. All rights reserved.
Ga je mee op First Date?

Laat je verleiden!
Kom naar onze First Date op:
3 feb 15.30u.

Gratis webinar

Deze website maakt gebruik van cookies. Meer informatie AccepterenWeigeren